Blog | Pandemieën in de oudheid

Nu Europa zucht onder de maatregelen tegen de verspreiding van het Coronavirus, is het voor de afleiding misschien wel aardig om een vergelijk te maken met de ons bekende pandemieën in de Romeinse tijd. Want wij zijn natuurlijk niet de eersten die te maken hebben met virussen en andere dodelijke ongemakken.

Voor een overzicht van dodelijke ziektes in de oudheid zijn we vooral aangewezen op historische bronnen. Veel terloopse aanwijzingen leiden tot een akelige lijst van mogelijke epidemieën, waarvan we de oorzaak en de verspreiding meestal niet goed kunnen duiden. Er zijn echter twee epidemieën die er bovenuit steken: de Antonijnse Plaag in de tweede eeuw en de Plaag van Cyprianus in de derde eeuw. Omdat ze ook in andere werelddelen zijn opgetekend – toevallig of niet, ook China – zijn ze met terugwerkende kracht gepromoveerd tot de eerste twee pandemieën uit de geschiedenis.

Afbeelding: De engel des doods slaat op een deur tijdens de plaag van Rome. Gravure van Levasseur naar Jules-Elie Delaunay.

De Antonijnse Plaag

De Antonijnse Plaag brak uit in 165. Mogelijk ontstond het virus enkele jaren eerder in Afrika en verplaatste zich langzaam naar het Midden-Oosten. De verspreiding kreeg een boost door Romeinse troepen die weliswaar in Perzië een klinkende overwinning haalden, maar als wrange buit het virus in 165 meenamen naar Europa. Hier verspreidde het zich via Rome over de verschillende provincies om minstens vijf jaar huis te houden. Daarmee was het nog niet uitgeraasd: na tien en na twintig jaar kwam het nog een keer terug. Een groot gedeelte van de bevolking stierf – men schat zo’n 25-30%.

Wetenschappers denken dat het gaat om Variola major, het pokkenvirus. Dat leiden ze onder andere af uit de beschrijvingen van Claudius Galenus, een van de beroemdste artsen uit de oudheid die de epidemie met eigen ogen heeft waargenomen. De eerste tekenen bestonden uit koorts, overgeven, diarree en rugpijn. Daarna kreeg het slachtoffer overal smerige huiduitslag, vlekken, bulten en pukkels. Na tien dagen was de toestand kritiek: of de patiënt stierf, of hij bleef in leven. Het virus kreeg veel kans om zich te verspreiden, enerzijds door de lange periode van besmettelijkheid (12 dagen), anderzijds doordat slachtoffers in het begin nog niet doodziek waren en dus ook mobiel genoeg om anderen te infecteren.

Het Romeinse rijk verkeerde op dat moment juist op het toppunt van glorie, met een langdurige binnenlandse vrede (de Pax Romana), welvaart, goede keizers (Marcus Aurelius was net aan de macht), florerende steden en voor die tijd een uitstekend wegenstelsel. Die drukke steden, de binnenlandse veiligheid en het goede wegenstelsel werkten nu juist in het nadeel, want het maakte mogelijk dat het virus zich relatief snel kon verspreiden. Niet zo snel als het Coronavirus in onze moderne tijd, via het vliegtuig, maar wel gestaag en onstuitbaar. Een van de waarschijnlijke slachtoffers was Marcus Aurelius’ stiefbroer en medekeizer, Lucius Verus. Ook het leven in Romeins Nederland moet een flinke dreun hebben gekregen. Nog een stuk westelijker, in het Engelse Gloucester, vonden archeologen in 2005 een massagraf met minstens 91 slachtoffers van de plaag.

Vooral de legioenen en slaven hadden onder het virus te lijden, maar er zijn ook berichten van leegstand op het platteland en in de steden. De Romeinse schrijver Dio Cassius maakt melding van 2.000 doden per dag. Dat aantal is niet te controleren en zal wellicht wat overdreven zijn, maar het geeft wel een indicatie van de impact. Daar steekt het Coronavirus maar bleekjes bij af. Zowel bouwactiviteiten, mijnbouw als de uitgave van munten vielen tien tot twintig jaar stil, of verdwenen helemaal. We krijgen het beeld van een ontwrichte samenleving waar de administratie deels wegviel, de communicatielijnen haperden, de handel instortte en het platteland leegliep. De Antonijnse Plaag luidde het verval in dat zou leiden tot de crisis van de derde eeuw. Het was zeker niet de enige oorzaak, maar wel een belangrijke. Dat wordt nog altijd onderschat.

Afbeelding: Massagraf in Gloucester (UK), waarschijnlijk slachtoffers van de Antonijnse Plaag.

Plaag van Cyprianus

Zo’n tachtig jaar later vond een tweede pandemie plaats, min of meer toevallig vernoemd naar de christelijke bisschop Cyprianus. Deze Cyprianus was in 249 bisschop van Carthago en beschreef een ziekte die wild om zich heen greep in zijn stad. Slachtoffers leden achtereenvolgens aan vermoeidheid, bloederige ontlasting, koorts, overgeven, (oog)bloedingen, infectie van de ledematen en soms ook doofheid en blindheid. Wetenschappers weten niet zeker aan welke ziekte ze dit moeten koppelen, het meest waarschijnlijke lijkt nog het Filovirus, een groep virussen waartoe ook het latere, levensgevaarlijke Ebola hoort.

Over de Plaag van Cyprianus weten we minder dan de Plaag van Antoninus. Maar de bronnen die er zijn, stemmen niet tot optimisme. Zo nam de bevolking in Alexandrië af met 60% en stierven in Athene naar verluidt 5.000 mensen per dag. Ook hier zijn de aantallen niet betrouwbaar, maar zelfs als we die moeten halveren, is het nog een regelrechte ramp. Of het virus ook Romeins Nederland heeft bereikt, is onbekend. De brandhaarden lagen vooral rond het oostelijke deel van de Middellandse Zee.

De timing van het virus kon bijna niet slechter. Keizer Decius was net in 249 aan de macht gekomen en zag van alle kanten vreemde volkeren het rijk binnenvallen: in 250 aan de Donau, in 252 aan de Eufraat en in 256 aan de Rijn. Decius probeerde nog uit alle macht om dat te voorkomen – zo herstelde hij de Romeinse weg bij Voorburg en liet er een mijlpaal neerzetten – maar er was geen houden meer aan. De controle over de buitengebieden van het rijk, inclusief Romeins Nederland, viel helemaal weg. Het Romeinse rijk viel uit elkaar en pas veertig jaar later kon de orde met grote moeite worden hersteld. Ook hier was de pandemie niet de belangrijkste oorzaak van de crisis, maar heeft de ellende wel bespoedigd. In het westen van ons land zouden de Romeinse legers overigens niet meer terugkeren.

En nu?

Als we de twee pandemieën plaatsen in hedendaags perspectief, zijn we tegenwoordig een stuk beter af. Weliswaar is de bevolking oneindig toegenomen en zijn we extreem mobieler dan in de Romeinse tijd – met een evenredige grotere kans op besmetting – maar onze microbiologische kennis zorgt dat we het proces veel beter snappen en er ons ook veel effectiever tegen kunnen wapenen. En het Coronavirus? Vergeleken de Romeinse pandemieën stelt het maar weinig voor.

 

Bronnen:

  • K. Harper – The Fate of Rome. Climate, disease & the end of an empire. 2017.
  • R. Duncan-Jones – The impact of the Antonine Plague. In: Journal of Roman Archaeology 9 (1996), 108-136.
  • R. Duncan-Jones – The Antonine Plague revisited. In: Arctos 52 (2018), 41-72.