Ga naar inhoud

'Romeinen' langs de Limes

| Mylène Klaasen

Grafsteen van de auxilia-veteraan Valens uit de 2e eeuw n.Chr. Foto: RMO Leiden

Wie waren de soldaten in de forten langs de Neder-Germaanse Limes? Een antwoord op deze vraag lijkt misschien simpel: Romeinen natuurlijk. Kijken we naar archeologische vondsten, dan zien we echter iets heel anders. Om te beginnen rijst de vraag: wat is eigenlijk een Romein? Volgens het Van Dale woordenboek is een Romein ten eerste een inwoner van Rome en ten tweede een burger van het Romeinse Rijk. Vooral die tweede definitie is van belang als we kijken naar Romeinen in Nederland.

Burgerschap en militaire dienst

Niet iedere inwoner van het Romeinse Rijk was namelijk een Romeins burger. Het burgerschap was een voorrecht waardoor een inwoner bepaalde rechten kreeg. Alleen als je ouders Romeins burgers waren, werd je als Romeins burger geboren. Je kon echter ook het burgerschap krijgen als beloning voor uitzonderlijke loyaliteit aan het Romeinse Rijk of in het geval van slaven, voor loyaliteit aan je meester.

Voor vrije mensen was er ook een mogelijkheid om Romeins burger te worden: 25 jaar trouw dienen in het Romeinse leger. Als niet-Romein werd je ingedeeld bij de auxilia (hulptroepen). Deze troepen waren geliefd omdat ze goede ruiters waren (en over paarden beschikten) of over andere specifieke vaardigheden beschikten zoals boogschieten. Eerst werden deze eenheden ook gecreëerd op basis van (vermeende) etniciteit, zoals de Bataafse cohorten, maar al vrij snel werden ook soldaten met een andere herkomst in deze eenheden opgenomen.

De herkomst van soldaten in de auxilia en legioenen

Als we nu gaan kijken naar de eenheden die zich langs de Limes in het huidige Nederland bevonden, dan zien we dat in de forten voornamelijk dit soort auxilia eenheden waren gelegerd. Zo weten we op basis van de grafsteen van ene Valens dat hij gelegerd was in het fort bij Vechten en ruiter was van het Ala I Thracum. Dit was een eenheid waarvan de manschappen afkomstig waren uit Thracië (het huidige zuidoost Bulgarije). En op basis van stempels in dakpannen en bakstenen weten we dat in het Utrechtse castellum Traiectum ooit het Spaanse Cohors II Hispanorum peditata was gestationeerd.

Ook als we naar individuele soldaten kijken, zien we dat deze afkomstig waren uit alle windstreken. Zo liet de in Algerije geboren Romeinse militair en diplomaat Quintus Antistius Adventus nabij Vechten een groot altaar oprichten. En in de Rijnvloot diende de uit Alexandrië (Egypte) afkomstige officier Horus Pabeci f.

Er waren ook ‘normale’ Romeinse legioenen bij de Limes, zoals het Tiende Legioen Gemina dat aan het eind van de 1e eeuw n.Chr. in Nijmegen was gestationeerd. De mannen in deze legioenen waren, in tegenstelling tot die in de auxilia, wel Romeins burger. Het aandeel aan auxilia bij de Limes was echter veel groter. Strikt gezien waren de meeste van de Romeinen langs de Limes dus (nog) niet Romeins. De vraag wordt dan hoe ze zichzelf eigenlijk zagen.

Hoe Romeins voelden ze zich?

De op etniciteit gebaseerde auxilia zullen in het begin hun eigen manier van oorlog voeren, wapens, kleding en taal hebben gehad en behouden. Pas bij de incorporatie van andere ‘etniciteiten’ in deze eenheden zal bijvoorbeeld het gebruik van latijn zijn toegenomen, waardoor ze ‘meer Romein’ werden. Als we naar archeologische vondsten kijken, zien we dat de soldaten echter op verschillende manieren uiting bleven geven aan hun afkomst. Zo blijken er soms bepaalde regionale en culturele verschillen terug te vinden te zijn in hun maaltijden. De eenheden uit het noorden hadden bijvoorbeeld een voorkeur voor rundvlees en bier terwijl hun zuidelijke collega’s liever wijn dronken en varkensvlees aten. Ook laten ze in de inscripties op hun grafmonumenten vaak hun herkomst vermelden. We weten ook uit de vondsten van militaire diploma’s dat een deel van de soldaten besloot om na hun diensttijd terug te keren naar huis ondanks dat ze hier in de voorgaande 25 jaren weinig van zullen hebben gezien. Blijkbaar hadden ze nog steeds een band met het ‘thuisland’.

De 25 jaar dienst zullen echter ook hun sporen hebben nagelaten. Het laten oprichten van een grafmonument was bijvoorbeeld een Romeinse gewoonte, daar verandert het feit dat zij hun ‘etniciteit’ lieten vermeldden natuurlijk niks aan. En er waren genoeg soldaten die ervoor kozen om zich na hun diensttijd te vestigen in de buurt van waar zij hadden gediend. Mogelijk waren zij relaties met lokale vrouwen aangegaan of hadden op een andere manier een band met het gebied gevormd.

De soldaten leefden en deelden alles met elkaar waardoor ze zich naast hun oorspronkelijke identiteit als ‘Bataaf’ of ‘Thraciër’ dus op zijn minst ook ‘Romeins soldaat’ zullen hebben gevoeld. Je moet je dus voorstellen dat deze mannen meerdere identiteiten bezaten, die gewoon naast elkaar bestonden.   

Literatuur

Paul van der Heijden, De Romeinen bestaan niet, https://historiek.net/de-romeinen-bestaan-niet/68593/

Gielen, Joffrey, Het Romeinse legerdieet: Veranderingen in het voedingspatroon van de soldaten gedurende de tweede en derde eeuw, Masterthesis Universiteit Gent (2018).

Roymans, Nico, Ethnic Identity and Imperial Power. The Batavians in the Early Roman Empire (Amsterdam 2004).